ARISTOTELES ETICA NICOMAQUEA PDF

Como el hombre es social, necesita amigos para alcanzar la felicidad completa. Por otra parte, ser feliz lleva una vida completa; porque una golondrina no hace una primavera. Alguien que huye se convierte en un cobarde, mientras que alguien que no teme nada es temerario. Una persona virtuosa siente placer cuando realiza las acciones bellas o nobles kalos.

Author:Kazrajind Malataxe
Country:Brazil
Language:English (Spanish)
Genre:Software
Published (Last):9 September 2019
Pages:145
PDF File Size:13.84 Mb
ePub File Size:2.58 Mb
ISBN:238-3-33479-243-6
Downloads:11054
Price:Free* [*Free Regsitration Required]
Uploader:Tausida



Het functie-argument[ bewerken brontekst bewerken ] In boek I stelt Aristoteles dat iedereen het erover eens is dat geluk Grieks: eudaimonia het ultieme doel van het menselijk bestaan is, maar dat er discussie is over de vraag wat geluk nu precies inhoudt. Hij concludeert dat dit ergon, deze kenmerkende functie, het verstand is.

Leven als een mens komt er dan op neer dat men zijn verstand gebruikt, en goed leven, dat wil zeggen gelukkig leven, betekent dat men zijn verstand op voortreffelijke wijze gebruikt. Geluk is voor Aristoteles dus nadrukkelijk een activiteit. Wie bijvoorbeeld slaapt kan op dat moment niet echt gelukkig zijn. Theoria[ bewerken brontekst bewerken ] Nu kan men echter zijn verstand op verschillende manieren gebruiken.

Aristoteles onderscheidt het praktisch gebruik van het verstand, bijvoorbeeld wanneer men aan politiek doet, van de zogenaamde theoria.

In boek X identificeert Aristoteles het ware, ultieme geluk met theoria. Over de precieze inhoud van theoria is Aristoteles niet duidelijk. Het zou echter ook het overdenken van kennis die men al bezit kunnen inhouden. Aristoteles EN X 7 geeft een aantal argumenten waarom theoria het hoogste goed is: Theoria is de activiteit van ons hoogste bestanddeel, namelijk ons verstand. Theoria is de meest bestendige activiteit, omdat we het langer ononderbroken kunnen beoefenen dan iedere andere activiteit.

Theoria is het meest aangenaam en zuiver, omdat het niet met ongemakken gepaard gaat. Theoria is als enige activiteit slechts verkieslijk omwille van zichzelf en is het goddelijk. Kortom, de mens die zich aan de filosofie wijdt, leidt een goddelijk leven. Toch moet Aristoteles toegeven dat een mens niet onafgebroken kan filosoferen; om als mens te blijven functioneren moet iedereen namelijk in de noodzakelijke levensbehoeften voorzien. Dit zijn dingen als eten, drinken en slapen.

Karakter boek II [ bewerken brontekst bewerken ] Zoals hierboven beschreven is voor Aristoteles geluk een activiteit die op voortreffelijke wijze wordt uitgevoerd.

In boek I en X denkt hij hierbij primair aan intellectuele activiteiten. Echter ook andere vormen van voortreffelijke activiteit zijn van belang voor een goed, volwaardig leven, bijvoorbeeld moedig of rechtvaardig handelen. Om dit soort handelingen mogelijk te maken is het noodzakelijk om de bijbehorende positieve karaktereigenschappen, deugden zoals moed en rechtvaardigheid, te ontwikkelen.

Volgens Aristoteles ontwikkelen we een voortreffelijk karakter door gewoonte, door herhaald gedrag. Dit in tegenstelling tot een voortreffelijk verstand dat door onderwijs en scholing ontwikkeld wordt. De voortreffelijkheid van karakter heeft betrekking op handelingen en gevoelens, bijvoorbeeld boos zijn. Genot en pijn zijn de toetssteen voor de mate waarin iemand in het bezit is van bepaalde karaktereigenschappen. Zolang iets nog pijn en moeite kost, is het nog niet helemaal een karaktereigenschap.

Een voorbeeld: iemand slaat iets lekkers maar ongezonds af en beleeft daar genot aan; dan is zo iemand matig. Het genot bewijst dat zo iemand zich de deugd matigheid heeft eigen gemaakt.

Wie wel de traktatie afslaat, maar met tegenzin pijn , doet wel iets matigs, maar heeft zich de deugd matigheid nog niet eigen gemaakt. In het geval van de echt voortreffelijke persoon zijn zowel hijzelf als zijn handeling goed. Hij weet goed wat hij doen moet, hij kiest er bewust voor dat te doen en doet het vervolgens vastberaden.

Het gulden midden boek II [ bewerken brontekst bewerken ] Voor Aristoteles is een deugd het midden Grieks: meson tussen twee ondeugden in, tussen tekort en teveel. Moed is bijvoorbeeld het midden tussen lafheid een gebrek aan moed en overmoed te veel moed. Dit midden is niet absoluut, maar hangt steeds van de persoon en de omstandigheden af. Aristoteles maakt dit punt duidelijk door een vergelijking met het dieet van sporters. Wat voor een worstelkampioen een goede portie eten is niet te veel en niet te weinig is voor iemand die begint met trainen al snel veel te veel.

Overigens is er in sommige situaties, bijvoorbeeld bij overspel, diefstal en moord geen sprake van een gulden midden. Dit soort dingen zijn altijd slecht. Aristoteles onderscheidt twee soorten rechtvaardigheid: de algemene of wettelijke rechtvaardigheid en de specifieke rechtvaardigheid. De algemene rechtvaardigheid komt erop neer dat men zich aan de wetten houdt. Aangezien de wetten bedoeld zijn om de burgers met oog op het algemeen belang aan te zetten tot allerlei vormen van deugdzaam gedrag, kan men zeggen dat rechtvaardigheid alle andere deugden impliceert met inbegrip van de specifieke rechtvaardigheid.

Deze vorm van rechtvaardigheid draait om gelijkheid. Aristoteles verdeelt de specifieke rechtvaardigheid weer in distributieve rechtvaardigheid en corrigerende rechtvaardigheid. In het geval van distributieve rechtvaardigheid gaat het erom dat een ieder het deel krijgt dat gelijk is aan de door hem geleverde inspanning.

In het geval van corrigerende rechtvaardigheid gaat het erom dat iemand die door een ander benadeeld is een compensatie ontvangt die gelijk is aan het geleden nadeel. Verantwoordelijkheid boek III [ bewerken brontekst bewerken ] Aristoteles onderzoekt in de eerste drie hoofdstukken van het derde boek de vrijwillige Grieks: hekousios en onvrijwillige handeling Grieks: akousios. Onvrijwillige handeling[ bewerken brontekst bewerken ] Aristoteles begint zijn onderzoek door eerst de negatieve kant van de kwestie, de onvrijwillige actie, te onderzoeken.

Onvrijwillige handelingen verricht men a onder dwang of b uit onwetendheid. Het kenmerk van een gedwongen actie is dat de oorsprong van het handelen buiten de persoon ligt, in die zin dat de persoon niets bijdraagt aan de handeling en haar dus als het ware ondergaat. Zo handelt men onvrijwillig wanneer men meegenomen wordt door de wind. Men verricht een actie uit onwetendheid nooit met opzet. Enerzijds zijn er acties die men uit onwetendheid verricht, maar waar de actie achteraf voor misnoegen zorgt en medelijden wekt.

Men is zich in dit geval niet bewust van specifieke omstandigheden omtrent de handeling. Als voorbeeld geeft Aristoteles iemand die een katapult demonstreert, maar die het apparaat per ongeluk laat afgaan. Anderzijds zijn er acties die men in onwetendheid verricht. Deze actie zal achteraf geen misnoegen en medelijden wekken, aangezien de actie op zichzelf niet herkend is door de handelende persoon.

Aristoteles haalt dronken of woedende personen aan als voorbeelden. Alleen wanneer men uit onwetendheid handelt wordt de actie vergeven en soms met medelijden aangezien, omdat deze actie onvrijwillig is. Gemengde handeling[ bewerken brontekst bewerken ] In het geval van een handeling die door de omstandigheden afgedwongen wordt, maar waarbij de uiteindelijke keuze tot handelen bij de handelende persoon ligt, spreekt Aristoteles van een gemengde handeling.

Hij geeft het voorbeeld van een schipper die in een storm terechtkomt en de lading van het schip overboord gooit om zijn eigen leven en dat van zijn bemanning te redden. Hoewel men een handeling als deze onder normale omstandigheden niet zou verkiezen en men derhalve tegen zijn zin handelt, handelt men toch vrijwillig, omdat men zelf tot handelen overgaat.

De oorsprong van het handelen ligt dus nog steeds in de persoon zelf. Een handeling is vrijwillig wanneer de oorsprong van het handelen in de handelende persoon ligt en wanneer men zich bewust is van de specifieke omstandigheden waarin men handelt. Verantwoordelijkheid voor moreel slechte daden[ bewerken brontekst bewerken ] In hoofdstuk 7 van boek III behandelt Aristoteles de voor hem centrale stelling dat de mens niet alleen verantwoordelijk is voor zijn goede maar ook voor zijn slechte daden.

Socrates had gesteld dat niemand vrijwillig het slechte doet: men doet het slechte uit onwetendheid. Aristoteles bestrijdt dit. Indien het in onze macht ligt om bewust het goede te doen, ligt het ook in onze macht bewust het slechte te doen. De mens is evident de vader van zijn eigen handelingen. Aristoteles wijst erop dat de wetgevers de mensen door straf en beloning aansporen het goede te doen en het slechte na te laten.

Het is echter zinloos om iemand aan te sporen te doen of te laten wat buiten zijn macht ligt. Deze bestaat namelijk uit een rationeel to logon echon en een niet-rationeel deel to alogon.

Kortweg komt het hierop neer: wanneer er een wezenlijk verschil bestaat tussen de dingen die gekend worden, moet er ook een wezenlijk verschil zijn tussen de vermogens waarmee die wezenlijk verschillende dingen gekend worden. Het maken van overwegingen betreft de contingente, concrete, afzonderlijke dingen en is dus een afzonderlijk deel van het logische deel van de ziel.

Vervolgens werkt Aristoteles uit wat de aard van deze disposities is, en op wat voor soort dingen ze betrekking hebben. Zo is echte kennis alleen kennis van hetgeen noodzakelijkerwijs, universeel en eeuwig het geval is, en wel kennis die door een deductief bewijs is verkregen denk onder andere aan wiskundige bewijzen. Vakbekwaamheid en prudentie hebben echter alleen betrekking op het contingente.

Waar vakbekwaamheid het maken of vervaardigen van dingen betreft zoals in de bouwkunde , betreft prudentie het handelen praxis. Vervaardigen en handelen zijn verschillend, want bij het vervaardigen is iets anders het uiteindelijke doel, terwijl dat bij het handelen niet zo is. Iemand heet prudent wanneer hij naar behoren kan delibereren over de dingen die voor hemzelf deugdelijk of voordelig zijn en daarop zijn handelen kan afstemmen.

Als voorbeeld geeft Aristoteles de staatsman Perikles, die immers niet alleen oog had voor wat deugdelijk is voor hemzelf, maar ook voor de andere Atheners. Direct inzicht is er van de eerste beginselen zoals blijkens onder andere de Analytica Posteriora de Euclidische postulaten en de Wet van Non-Contradictie. Wijsheid blijkt tot slot een combinatie van echte kennis en direct inzicht te zijn.

Wijs sophos zijn onder andere de filosofen Thales en Anaxagoras. Aristoteles maakt duidelijk dat er verschillende domeinen zijn van prudentie, zoals de stadstaat zoals er sprake is van prudent handelen in wetgeving, politiek overleg en besluitvorming en rechtspraak en het huishouden. Tot slot behandelt Aristoteles enkele vermeend problematische vragen over wat nu het nut is van de twee genoemde deugden wijsheid en prudentie.

Definitie van onbeheerstheid[ bewerken brontekst bewerken ] Er is sprake van onbeheerstheid Gr. Onder normale omstandigheden zou hij deze dingen niet doen, maar hij voelt een sterk verlangen en wordt daar op de een of andere manier door overmeesterd.

De beheerste mens voelt die verlangens ook, maar heeft ze onder controle. Het verschil tussen deze disposities en on deugd is duidelijk: de deugdzame mens kiest voor zijn handelingen, de onbeheerste zou liever anders handelen, en bovendien wordt die eerste niet overmand door heftige verlangens; en waar de beheerste mens zijn slechte verlangens onder controle heeft, voelt de deugdzame mens die verlangens niet eens, want voor hem is alleen maar het goede aangenaam, en mensen verlangen naar wat ze aangenaam vinden.

Hoe is onbeheerstheid mogelijk? Hoe is het mogelijk dat iemand handelt tegen zijn kennis in? Socrates kaartte dit probleem aan; volgens hem was het onmogelijk. Aristoteles meent echter dat dat wel kan; voordat de onbeheerste zijn slechte handeling verricht, weet hij namelijk heel goed dat de handeling, die hij onder invloed van verlangen verricht, fout is. Ten slotte is er nog een onderscheid tussen enerzijds mensen die kennis niet gebruiken, maar deze wel op elk moment in hun herinnering kunnen roepen, en anderzijds mensen die kennis wel hebben maar in zekere zin ook niet, zoals dronken, slapende of razende mensen.

Zij hebben tijdelijk geen toegang tot de kennis. Welnu, de onbeheerste mens handelt zoals hij handelt, omdat hij op het moment van zijn handeling de minor premisse niet heeft, of wel heeft maar slechts zoals een dronken of slapend of razend persoon kennis heeft. Zo kan de onbeheerste mens het syllogisme, dat hem normaal zou behoeden voor een slechte daad, niet afmaken en kan hij niet de juiste conclusie trekken.

Uitgangspunt in beide verhandelingen is de vraag wat de morele waarde van genot is. Opmerkelijk genoeg verschillen de definities van genot in boek VII en X.

DESCARGAR LIBRO TERMODINAMICA CENGEL 6TA EDICION PDF

Ética nicomáquea

Het functie-argument[ bewerken brontekst bewerken ] In boek I stelt Aristoteles dat iedereen het erover eens is dat geluk Grieks: eudaimonia het ultieme doel van het menselijk bestaan is, maar dat er discussie is over de vraag wat geluk nu precies inhoudt. Hij concludeert dat dit ergon, deze kenmerkende functie, het verstand is. Leven als een mens komt er dan op neer dat men zijn verstand gebruikt, en goed leven, dat wil zeggen gelukkig leven, betekent dat men zijn verstand op voortreffelijke wijze gebruikt. Geluk is voor Aristoteles dus nadrukkelijk een activiteit. Wie bijvoorbeeld slaapt kan op dat moment niet echt gelukkig zijn. Theoria[ bewerken brontekst bewerken ] Nu kan men echter zijn verstand op verschillende manieren gebruiken. Aristoteles onderscheidt het praktisch gebruik van het verstand, bijvoorbeeld wanneer men aan politiek doet, van de zogenaamde theoria.

INDESCRIBABLE CHRIS TOMLIN CHORDS PDF

Aristóteles, Ética a Nicómaco

.

EL ABEJORRO EMILIO PUJOL PDF

Ethica Nicomachea

.

LIBRO EVALUACION DE PROYECTOS GABRIEL BACA URBINA SEXTA EDICION PDF

.

Related Articles